In de kapel van de broederschap hangt het portret met als opschrift ‘Madeleine de Trazegnies, stichter van de Broederschap van de H. Josef’. Op het schilderij is Madeleine te zien in gebedshouding in het habijt van de Karmel.
Ze is geknield voor een altaar met allerlei objecten van devotie, waaronder een kruisbeeld met Maria Magdalena aan de voeten van Jezus. Dit sluit aan bij de Spaanse mystiek van het hof van de Aartshertogen en hun devotie voor de Ongeschoeide Karmelietessen van Theresia van Avila.
Madeleine de Trazegnies werd geboren in 1564 als de dochter van Karel I graaf van Trazegnies (ridder van het Gulden Vlies) en Maria-Magdalena von Palant, en klein-dochter van de ridder van het Gulden Vlies Karel van Montigny en van Jacquelina, gravin van Luxemburg. Hoewel het geslacht de Trazegnies in ongenade was gevallen door zijn steun aan het opstandige Gent in 1482, kon de familie zich rehabiliteren, en er ontstonden nauwe banden met het Habsburgse hof. De vader van Karel, Jan III de Trazegnies, verkreeg verscheidene belangrijke ambten en reisde regelmatig mee in delegaties om aanwezig te zijn bij huwelijken tussen prinsen.
Toen in 1596 aartshertog en landvoogd Albrecht zijn hofhouding op de Koudenberg aanvulde met lokale edelen, zond hij Madeleine samen met zes andere edelvrouwen naar Isabella om haar gevolg als gezelschapsdames te vervoegen. Ondanks haar leeftijd volgde ze het pad van veel vrouwelijke hovelingen rond Isabella, en in 1602 trad ze in het klooster van de Arme Klaren Coletienen te Gent in. Het volgende jaar liet ze zich opsluiten in een kluis van de Sint-Salvatorkerk, waar ze zou blijven tot haar dood in 1642. Haar graf werd in 1808 gevonden.

Plaats een reactie